| Overheidsorganisatie | Gemeente Lingewaal |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Verordening op de heffing en de invordering van liggeld 1999 |
| Citeertitel | Verordening liggeld 1999 |
| Vastgesteld door | gemeenteraad |
| Onderwerp | financiën en economie |
De "Verordening op de heffing en invordering van een liggeld voor woonschepen" van 9 december 1968, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 1 februari 1969, nr. 15, wordt ingetrokken met ingang van de in het artikel 11, derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Datum ondertekening, Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 19-11-1998 | n.v.t. | Nieuwe regeling | 05-11-1998 Lingewaaljournaal, 11-11-1998 | Onbekend |
Verordening liggeld 1999
Deze verordening verstaat onder:
Onder de naam "liggeld" wordt een recht geheven voor het hebben van een ligplaats, daaronder begrepen de diensten die met de ligplaats verband houden, bij een verblijf langer dan twee weken op de krachtens de "Woonschepenverordening 1998" aangewezen ligplaatsen.
Het recht bedoeld in artikel 2 wordt geheven van degene die de ligplaats heeft. Als degene die de ligplaats heeft wordt aangemerkt de houder van de ligplaatsvergunning, bedoeld in artikel 6 van de "Woonschepenverordening 1998", dan wel de hoofdbewoner van het woonschip. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Het recht als bedoeld in artikel 2 bedraagt f 1.200,-- per belastingtijdvak.
Het recht als bedoeld onder a wordt jaarlijks aangepast aan het prijsindexcijfer voor gezinsconsumptie, basis 1999 = 100.
Het belastingtijdvak loopt van 1 januari tot en met 31 december.
Het recht wordt bij wege van aanslag geheven.
Het recht als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingtijd¬vak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde recht als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingtijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
De aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er, met inbegrip van de maand van dagtekening van het aanslagbiljet, nog maanden in het belastingtijdvak overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
Bij de invordering van het liggeld wordt geen kwijtschelding verleend.
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de liggelden.
De "Verordening op de heffing en invordering van een liggeld voor woonschepen" van 9 december 1968, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 1 februari 1969, nr. 15, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.
De datum van ingang van heffing is 1 januari 1999.
Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening liggeld 1999".
Gemeente Lingewaal, 05-11-1998
(331,1 KB)